1. Verken de mogelijkheden van cocreatie


Gemeenschapsmunten zijn een beleidshefboom, een instrument waarmee een lokaal bestuur of een professionele organisatie iets kan bereiken dat voor de lokale gemeenschap van waarde is. Denk dus niet dat ‘het lanceren van een gemeenschapsmunt‘ een doel op zich is. Het is een middel dat toelaat om de onderlinge hulp en dienstverlening tussen organisaties, ondernemers en burgers te versterken, en zo bepaalde doelen te realiseren. Het is door de inzet van deze actoren dat je het doel bereikt!

Wie ‘dienstverlening’ zegt, denkt vanzelf aan iets wat door een overheid of een professionele organisatie centraal en van bovenaf georganiseerd wordt, en waar de bevolking als cliënt of consument gebruik van maakt. Dat is het vertrouwde beeld van sociale voorzieningen zoals die sinds de tweede wereldoorlog zijn uitgebouwd. Momenteel kennen we een periode waarin de maatschappelijke context verandert en we met nieuwe noden en nieuwe mogelijkheden worden geconfronteerd. Dat vraagt dan ook om nieuwe concepten, modellen en instrumenten.

Het vertrouwde model: diensten voor de burger

Sinds de naoorlogse industriële samenleving is loonarbeid – in de praktijk vooral van mannen – de norm. De productie van nieuwe goederen leidt tot een toename van de welvaart. De industrie trekt ook veel arbeidsmigranten aan. In die periode groeit de sociale dienstverlening, ook overwegend centraal georganiseerd, die mensen beschermt tegen risico’s in hun loopbaan (ziekte of invaliditeit, werkloosheid door ontslag of hoge leeftijd). Vanaf het moment dat meer vrouwen aan de arbeidsmarkt deelnemen, wordt ook het krijgen van kinderen als een risico beschouwd waartegen publieke diensten bescherming moeten bieden, bijvoorbeeld door betaald bevallingsverlof of crèches.

Net als industriële processen is ook deze dienstverlening centraal georganiseerd en gestructureerd, met zijn eigen sectoren en budgetten (ouderenzorg, kinderopvang, gezondheidszorg, welzijnswerk). Het gaat om diensten die door professionele krachten (administraties, verpleegkundigen, opvoedkundigen, sociaal werkers …) worden verstrekt. Dit is dienstverlening voor de burger. Deze van bovenaf aangestuurde dienstverlening vormt nog steeds de ruggengraat van de zorgzame samenleving. Ze blijft een belangrijke rol voor lokale besturen en professionele organisaties. Het is een zeer efficiënte wijze om bepaalde diensten te organiseren.

Beeld: Industriële samenleving

Diensten met (inspraak van) de burgers

In de voorbije decennia verschuift de klemtoon van een industriële economie naar een kennis- of diensteneconomie. Ook vrouwen worden gestimuleerd om buitenshuis te werken. Met zorgarbeid in de privésfeer bouwen ze immers geen sociale rechten op, en lopen ze meer risico in armoede te verzeilen als hun relatie geen stand houdt. Steeds vaker geven ze de zorg voor kinderen, ouderen en zieken aan professionele diensten door. Zorg situeert zich nu dus niet langer overwegend in de familiale sfeer, maar komt bij publieke diensten terecht, en wordt meer en meer geprofessionaliseerd. De zorgsector is een economische pijler geworden. De overheid spant zich in om wachtlijsten weg te werken, zorgberoepen aantrekkelijker te maken en de kwaliteit van de arbeid in de sector te garanderen.

De kenniseconomie brengt nieuwe risico’s en kansen met zich. Er zijn minder laaggeschoolde banen te vinden, terwijl de migratiestroom blijft en de babyboomgeneratie de pensioenleeftijd nadert. Maar de informatisering maakt ook dat mensen op grote schaal met elkaar in contact treden, en ideeën en meningen delen. Burgers zijn goed geïnformeerd en willen inspraak. Publieke diensten leren participatiever te werken. De dienstverlening wordt verbeterd, het loket past zich aan de mondige cliënt aan, er komt een informatieambtenaar. Er ontstaat een beleid met (inspraak van) de burger. Daarnaast groeit er een middenveld dat sterk op vrijwilligers draait. Het beleid laat dit binnen de grenzen van vrijwilligerswetgeving toe, in de ’marge’ van de loonarbeid.

Beeld: Kenniseconomie

Naar cocreatief samenleven en samenwerken

In de postindustriële maatschappij wordt het potentieel van de betrokken, mondige burger voluit ontwikkeld. Economische evoluties zoals informatisering, automatisering en globalisering, maken dat er vandaag veel mensen zijn die niet (of niet meer) in de formele economie aan de slag zijn, terwijl ze heel wat talenten hebben en deze ook willen inzetten. Het gaat om senioren of jonge werklozen, maar ook om migranten waarvoor de arbeidsmarkt niet meteen een passende job heeft. Of het kan gaan om jonge gezinnen die zin hebben om taken te delen, dingen samen te doen. Dit alles maakt dat er vandaag nieuwe sociale noden zijn die niet door de markt worden vervuld, maar ook er dat er veel mensen zijn die daar met plezier hun schouders onder zetten, met elkaar, voor de lokale gemeenschap of buurt.

Een bijkomende ontwikkeling is dat ook de overheid verandert. Ze weet dat ze niet langer alles alleen kan oplossen, ze heeft de middelen van de samenleving nodig. Bovendien beseft ze dat een doelmatig overheidsoptreden een draagvlak nodig heeft, en meer nog, best samen met de samenleving vorm en inhoud krijgt. De overheid botst op haar eigen grenzen (overheidssanering) en de opvatting van groepen burgers over de rol van de overheid is gewijzigd (kleine overheid).

Burgers wachten niet langer tot de overheid, de markt of de sociale sector een bepaalde nood voorhen oplost, maar nemen zelf het initiatief, en gaan elkaar wederzijds diensten of hulp aanbieden. Problemen in de gemeenschap worden niet langer alleen voor en met, maar door inwoners opgelost. Soms gebeurt dit volledig van onderuit (of ‘bottom-up’), zonder dat het beleid er bij betrokken is. Dit noemt men grassroots-initiatieven. Soms stimuleert een lokaal bestuur of professionele organisatie de vrijwillige inzet van burgers, om op die manier bepaalde maatschappelijke doelen beter te kunnen bereiken. Burgers zijn dan niet langer alleen cliënt, maar ook actor van het beleid. Beleid evolueert van top-down (be-)sturen naar governance, waarbij de betrokkenheid van burgers, ondernemers en andere organisaties als cruciaal wordt erkend. Besturen of professionele organisaties beginnen cocreatie als volwaardige pijler van hun beleid te zien, en zoeken hefbomen en om het te versterken. Bij cocreatie hebben alle deelnemers een democratische invloed op alle onderdelen van het proces en de resultaten. Iedereen werkt mee vanuit een gelijkwaardige positie.

Beeld Cocreatieve samenleving

Voorbeeld: drie wegen naar lokaal sociaal en welzijnsbeleid

In de context van de cocreatieve maatschappij treden gemeenschapsmunten op de voorgrond. Ze blijken immers bijzonder geschikt om cocreatie te stimuleren en in goede banen te leiden.

Gemeenschapsmunten:

  • versterken collectieve zorg en burenhulp in de lokale gemeenschap
  • zetten in op talenten en capaciteiten die op de (arbeids)markt niet (meer) worden benut
  • bestrijken het gebied tussen privézorg en publieke zorgvoorzieningen in
  • staan tussen onbetaalde en (in euro’s) betaalde diensten in, en creëren een eigen dynamiek

Ze betekenen een ondersteuning voor zorg in de familiale sfeer, en een aanvulling op publieke diensten. Zo vormen ze als het ware het sluitstuk van een dekkend sociaal en welzijnsbeleid. Bij de vraag ‘waartoe een gemeenschapsmunt in onze wijk, gemeente, streek of werking?’ dien je dat heel eigen toepassingsgebied van gemeenschapsmunten goed voor ogen te houden.

Beeld: Een dekkend sociaal en welzijnsbeleid


In een notendop

[info] Gemeenschapsmunten

  • hebben hun meerwaarde in een veranderde beleidscontext, waarin nieuwe noden maar ook nieuwe mogelijkheden ontstaan
  • hebben een eigen toepassingsgebied, namelijk collectieve initiatieven in buurten en wijken, tussen zorg in de privésfeer en professionele dienstverlening door markt en overheid in
  • stimuleren initiatieven en diensten die een ondersteuning bieden aan mantelzorgers en aan professionele zorgverstrekkers

Tabel: complementaire wegen naar sociaal beleid

Top-down Top-down met inspraak Governance in het kader van cocreatie
Beleid en welzijn worden centraal georganiseerd, vanuit overheid of professionele dienst. Beleid en welzijn worden centraal georganiseerd met geregelde inspraakmomenten. Initiatieven voor welzijn en zorg worden in de buurten zelf ontwikkeld.
Top-down processen overheersen. Communicatie berust overwegend op eenrichtingsverkeer vanuit de overheid. Top-down processen worden bijgestuurd door vormen van inspraak gerangschikt op de participatieladder. Groepen burgers nemen initiatieven, die door het beleid of organisaties worden ondersteund en gewaardeerd.
Voor de burger, die cliënt, patiënt, consument of gebruiker van de openbare diensten is. Voor de burger, maar met inspraak. Burgers worden mondiger, het middenveld zet hen in als vrijwilliger. Door de burgers, ondersteund door een organisatie en omkaderd door het lokaal beleid.
Aanbodgestuurd: de dienst wordt centraal ontwikkeld en dan aan cliënten verstrekt. Dit is zinvol voor gespecialiseerde diensten. De dienst wordt vraaggestuurd: gebruikers hebben inspraak bij het ontwerp, zodat hij beter aan hun verwachtingen beantwoordt. De gebruiker is tegelijk gebruiker en aanbieder van de dienst. Vraag en aanbod zitten bij de burgers zelf. Het beleid stimuleert die uitwisseling
Professionele diensten in loonverband, in euro’s betaald. Professionele diensten in euro’s, naast vrijwillige inbreng tegen een wettelijk beperkte vergoeding. Doordachte mix van bijdragen in euro’s, in gemeenschapsmunten en onbetaald.
Alleen loonarbeid, overwegend in euro betaald, wordt als arbeid erkend. Belastingen worden alleen in euro’s geïnd. Loonarbeid blijft de norm. De overheid steunt de vermaatschappelijking van mantelzorg. Vrijwilligerswerk wordt aanvaard binnen bepaalde grenzen. Vrijwillige inzet voor de gemeenschap wordt door de overheid gewaardeerd. Sommige gemeenten laten betaling van taksen in lokale munten toe.

[warning] Checklist

  • Ga na of je in je werkingsgebied noden opmerkt die de bestaande publieke diensten, organisaties of marktspelers onvoldoende vervullen. Maak een lijst van alle noden waaraan je kunt denken.
  • Overleg of het zinvol zou zijn hiervoor de inzet van burgers te stimuleren, als aanvulling (eventueel) op het familiale en professionele aanbod.
  • Toets je lijst af bij zoveel mogelijk mensen of organisaties, ga in de buurt zelf luisteren, op plekken en momenten waarop je burgers gemakkelijk bij elkaar krijgt en waar ze zich op hun gemak voelen.
  • Bespreek je ideeën met collega’s en andere lokale organisaties en verfijn telkens je lijst.

results matching ""

    No results matching ""