3.1. Het grootste tandwiel: de deelnemers

Wie doet er allemaal mee?

Cocreatie betreft zaken die deelnemers onder elkaar en voor hun gemeenschap doen: diensten ontstaan zowel door hen als voor hen. Ze zijn dus zowel (actief) deelnemer als (passief) gebruiker van de diensten. De twee termen overlappen elkaar.

Je doel kan zijn om een hulpnetwerk te creëren rond bewoners die erg veel zorg nodig hebben, maar zelf weinig tot geen mogelijkheid hebben iets terug te doen. Of je wil overbelaste mantelzorgers steunen door hun zorgtaken met meerdere mensen te delen, niet door hen ook nog eens tot burenzorg aan te zetten. Zorgbehoevenden en mantelzorgers lijken dan eerder passief gebruiker dan actief deelnemer te zijn. Maar je kan de gemeenschapsmunt wel zo ontwerpen dat gebruikers toch iets (namelijk munten) kunnen teruggeven. Zo krijgen ze niet het gevoel louter van de goede wil van anderen afhankelijk te zijn. Gemeenschapsmunten creëren een vorm van wederkerigheid of ruil, wat maakt dat mensen een beroep durven (blijven) doen op hulp. Wie hulp geboden heeft, krijgt dankzij de munt een prikkel om zelf eens hulp te vragen of zich iets leuks te kopen. Zo blijven geven en nemen in evenwicht.

Het uiteindelijke doel van de gemeenschapsmunten – hun meerwaarde voor het sociale systeem – is dat ze de levenskwaliteit voor iedereen verbeteren. Ze zijn juist waardevol omdat ze niet probleem van één groep bestrijden (die daardoor als ‘probleemgeval’ wordt afgeschilderd), maar het samenleven van allen verbeteren. Naargelang de specifieke situatie kun je de munt wel zo ontwerpen dat ze een bepaalde groep nog wat extra aanspreekt of betrekt.

Hoe meer deelnemers en gebruikers je betrekt, hoe meer kans dat er veel diensten circuleren en de levenskwaliteit in de buurt erop verbetert. In deze drukke tijden hebben we allen wel eens nood aan een helpende hand. En ieder heeft ook wel onbenutte capaciteiten, talenten, tijd of zin om iets voor anderen te betekenen: jongeren en ouderen, middenstanders en werklozen, vrijwilligers, studenten, zorgbehoevenden, mantelzorgers en jonge gezinnen. Zorg voor een netwerk met veel diversiteit in vraag en aanbod, zodat iedereen er zijn of haar gading in vindt. De ervaring wijst uit dat een paar honderd deelnemers nodig is om voldoende kritische massa te hebben, maar de optimale omvang hangt ook af van je context en doelen.

Beeld: De deelnemers

Iedereen betrokken

De sleutel tot het succes van je munt is dat je zoveel mogelijk iedereen betrekt. Drie tips kunnen je helpen.

Tip 1. Zoek een veilige ruimte voor participatie

Wat voor mensen als een veilige ruimte aanvoelt, hangt af van diverse factoren:

  • Fysiek: laat mensen niet naar een overleg komen op een tijdstip dat hen afschrikt, op een plek waarheen ze de weg niet kennen of verplaatsingskosten moeten maken. Ga naar hen toe op plekken waar ze spontaan komen. Misschien is dat wel het wassalon of de schoolpoort!

  • Sociaal: verwacht niet dat mensen hun mening geven als ze bang zijn niet uit hun woorden te raken of verkeerd begrepen te worden. Een vertrouwde groep kan veiliger zijn. Als anderstaligen elkaar kennen van de taalcursus, dan kan het voor hen veiliger voelen als ze zich in de les een mening kunnen vormen en er samen voor uitkomen.

  • Cultureel: actief burgerschap is voor Westerse burgers een eeuwenlang bevochten ideaal, maar voor mensen die van elders komen is het vaak onbekend. Zoek plekken die stroken met hun waarden en rollen. Dat kan bijvoorbeeld een opleidingscentrum zijn, of een consultatiebureau van Kind en Gezin.

Tip 2. Schakel mensen en organisaties in als brugfiguren

Zoek personen die al het vertrouwen van de mensen hebben.

  • De arts van het wijkgezondheidscentrum, de animator van het woonzorgcentrum, de vormingswerk(st)er of buurtopbouwwerk(st)er hebben vaak al een band met de mensen, en kunnen helpen hun ideeën kenbaar te maken. Het kan ook om een sterke figuur of vertrouwenspersoon uit de doelgroep zelf gaan.
  • Laat die mensen hun oor te luisteren leggen bij de doelgroep om dromen, noden en capaciteiten op te sporen. Betrek hen vervolgens intens bij de keuze van de doelen en van het ontwerp van de gemeenschapsmunt.
  • Vergeet niet dat luisteren en signaleren een continu proces is, en dat organisaties en brugfiguren daar tijd en energie in steken. Ook dat kun je met de gemeenschapsmunt belonen.

Tip 3. Hanteer een participatieve aanpak

  • Er bestaan heel wat methodieken voor participatieve planning en design. Sommige organisaties zijn ervaren in het werken met kwetsbare groepen. Gebruik die expertise!
  • Er zijn online methodieken beschikbaar die kwetsbare doelgroepen helpen om zelf de stap naar participatie te zetten. Beloon mensen die daaraan deelnemen of die anderen daarbij betrekken.
  • Je kunt ook bruggen slaan naar zelfhulporganisaties of belangengroepen waar mensen reeds aan participeren. Denk aan buurtcomités, belangenorganisaties van patiënten of senioren, studentenclubs, of bewonersgroepen in de sociale huisvesting.

results matching ""

    No results matching ""